Acteur en octopus

Uit de bundel 'Verhalen uit de natuur'

Zijn jeugd was fantastisch. Geen vuiltje in het ondiepe water, dicht bij een afgelegen tropisch strand, het was elke dag spel. Eten natuurlijk ook, maar vooral spelen. Toneelspelen om precies te zijn, hij hield al van jongsaf aan enorm van verkleedpartijen. Zijn acht armen kon hij bijvoorbeeld zwart-witgestreept maken, zoals de giftige zeeslang. Erg handig als er een roofvis in de buurt was, die ging er meteen vandoor. Toen hij wat ouder werd, was verkleden niet genoeg meer, hij wilde meer, hij wilde een echte acteur worden die ook de bewegingen nadoet. Hij oefende dagenlang tot hij zijn armen precies zo kon kronkelen zoals een zeeslang dat doet.

       In iets dieper water, waar de zandbodem plaats maakt voor rots, begroeid met koraal in alle mogelijke vormen en kleuren, zag hij een koraalduivel rondscharrelen, ook al zo’n giftig beest. Moeilijk na te doen vanwege de stekels op zijn rug. Een uitdaging dus. Hij probeerde het, maakte zijn armen slank en puntig en stak vier ervan omhoog. Zijn lijf maakte hij visvormig door de vier overgebleven armen langs zijn kop te leggen en van boven naar beneden bruin-witgestreept te maken. Hij bewoog zich huphoppend door het water, net zoals dat gevaarlijke beest doet. Op het eerste gezicht leek het helemaal niet gek, maar van dichtbij kon iedereen zien dat zijn vel te glad was. Daarom maakte hij zijn huid net zo schubbig als die van de vreselijke vis. Het werkte perfect, zijn spel was echt. Alle vissen sloegen voor hem op de vlucht.

       Elke dag verzon hij iets nieuws. Een platvis. Het wuivende koraal. Zelfs een knobbelig rotsblok, begroeid met harig wier – al moest hij dan wel stilzitten, wat hij niet lang volhield. Het werd een wandelend rotsblok.

Onze kleine mime-octopus komt uit een grote familie. Sommige neven zijn reusachtig groot, wel twintig keer langer dan hij. Er zijn ook familieleden zo snel als een pijl. En er zijn er die niets van een kat hebben, en toch zeekatten heten. De vampieroctopussen zijn griezels. Diepwaterwezens. Gelukig geen familie, dat lijkt dat alleen maar zo. Het beest heeft per ongeluk een verkeerde naam gekregen.

       Het zijn slimeriken, alle octopussen kunnen goed nadenken. Ze kunnen zich allemaal vermommen, uitgezonderd de lelijke dombo-octopus – maar hij is beslist de slimste, want hij kan méér dan vermommen. Hij is een echte acteur. Een kunstenaar. Hij speelt alles na. Behalve zichzelf. En dat begint hem, nu hij wat ouder wordt, tegen te staan.

Onze kleine mime-octopus, net iets langer dan een halve meter, scharrelt al dagenlang rond. Op zoek naar zichzelf. Misschien klinkt het raar, dat je jezelf kwijt kan raken zodat je je zoeken moet. Toch komt het vaker voor, niet alleen bij inktvissen.

       Nu scharrelt hij dus rond. Met die moeilijke vraag in zijn kop: wie ben ik écht? Hij zou een soortgenoot willen ontmoeten, want dat is gezelliger dan alleen en die zou hem misschien kunnen laten zien wie hij is. Maar zijn soortgenoten zijn stuk voor stuk net zo goed in vermommen als hij. Hoe kan hij ze dan ooit herkennen? Ze zullen er af en toe uit moeten zien zoals ze écht zijn. Maar hoe echt is echt? Hoe ziet een soortgenoot er uit als hij zichzelf is? Hij weet het niet meer.

       Gisteren zag hij een zeeslang, kronkelend op de bodem. Aha, dacht hij. Een soortgenoot die toneelspeelt. Hij ging eropaf, de slang deed een uitval naar een van zijn armen en zwom snel weg. Hij werd gelukkig niet gebeten, dan zou hij er geweest zijn. Een soortgenoot was het niet, dat was wel duidelijk, want een arm kan niet loszwemmen.

       Zoiets was hem ook al eens overkomen met een zeeduivel. Die beesten hebben stekels met gif, daar moet je uit de buurt van blijven. Hij zwom het beest na en kwam zo dichtbij als hij durfde, het monster keerde zich plotseling om en sloeg zijn stekels uit. Nee, dacht hij, dit wordt te gevaarlijk. Heel misschien was het een soortgenoot die uitstekend toneelspeelde. Kan best. Hij zal het nooit weten.

Het wordt de hoogste tijd dat hij al zijn slimheid inzet. Hoe zal hij het zo aan kunnen leggen dat hij een soortgenoot herkent? Nee, bedenkt hij, dat is de verkeerde vraag. Alle duivels en slangen onderzoeken zou te veel werk zijn en ook te gevaarlijk. Het moet slimmer. Wat als hij ervoor kan zorgen dat hij wordt herkend? Wat zal hij moeten doen om zijn soortgenoten ervan te overtuigen dat hij zichzelf is?

       Het duurt een paar dagen voordat hij een goed idee krijgt. Hij moet zichzelf laten zien als acteur. Niet in de vermomming als de voorstelling begint, maar als de inktvis vlak daarvoor. Niet als het spel maar als de speler. Hoe zal die eruitzien?

       Gewoontjes, vermoedt hij. Een beetje goudbruin zoals het zand van zijn ondiepe zee. Korrelig. Kleine stippeltjes. Goed, of het werkt is niet gegarandeerd, maar het moet geprobeerd.

       Makkelijk is het niet. Als je een uitstekende acteur bent, is het moeilijk om jezelf te zijn. Het voelt alsof het tegen je natuur ingaat.

       Hij gaat liggen op het zand, wroet een beetje met zijn armen in de bodem, want wie weet zit er hier of daar een garnaaltje of een verborgen visje. Het duurt een poos, maar eindelijk komt er een soorgenoot in de buurt. Niet in de vorm van een inktvis, maar in de gedaante van een zwemmende spons.

       “Ben jij een speler of je rol?” vraagt zijn soortgenoot. “Ben jij jezelf of iemand anders?”

       Een vraag om diep over na te denken.

       “Ik probeer mijzelf te spelen”, zegt hij. Hij weet meteen dat dit het verkeerde antwoord is.

       “Daar was ik al bang voor. Een rol dus. Net als ik.”

       “Nee, nee”, zegt hij. “Ik probeer mijzelf te zijn. Niet te doen alsof, maar écht.”

       “Wie ben jij dan?”

       “Ik ben wie ik ben”, antwoordt hij na een poosje. “Ik ben mijzelf en niemand anders.”

       Zijn soortgenoot zwemt niet weg, maar helemaal zeker is hij er nog niet van. “Wie ben jij als jij jezelf bent?” vraagt hij.

       De vragen worden steeds lastiger. Dit is een vraag die zichzelf in de arm bijt. Hij geeft niet meteen antwoord.

       “Gewoon”, zegt hij na een tijdje. Het is het eerlijkste antwoord dat hij bedenken kan.

       “Hoe vind je mij?” vraagt zijn soortgenoot. Hij scharrelt heen en weer, waarbij hij zijn huid van bruin naar blauw laat verschieten.

       Alweer een vraag om over na te denken.

       “Niets bijzonders, gewoon, net als ikzelf”, zegt hij eindelijk.

       “Klinkt goed”, zegt zijn soortgenoot. “Ik zoek al een poos naar iemand die dat durft te zeggen. Ik zal je wat laten zien.” Hij veranderde ter plekke in een goudbruine inktvis met een korrelige huid en spikkeltjes. “Wat vind je ervan?”

       “Wij lijken op elkaar.”

       “Mooi, jij vindt dus dat ik op jou lijk. Daar hoopte ik op.”

       Met al zijn acht armen zoekt zijn soortgenoot contact. Hij geniet ervan, jezelf zijn is goed, maar nog beter samen met iemand anders. Ook hij strengelt zijn acht armen om die andere armen heen.

       “Het is fijn,” zegt hij, “om eindelijk jezelf te zijn.”

       Vanaf dat moment zijn de soortgenoten echtgenoten.

       “Zullen we samen een kwal nadoen?”

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *